Psycho-educatie TOS

Door psycho-educatie leren kinderen zichzelf beter kennen; wie ben ik?, wat kan ik?, wat vind ik belangrijk?, hoe laat ik dat anderen zien? Kinderen leren de communicatie vanuit henzelf beter te begrijpen (hun emoties) en hoe zij met anderen communiceren (door emoties en door taal).

Hieronder zullen we uitleg geven over de onderwerpen die in psycho-educatie voor kinderen en jongeren met TOS aan bod kunnen komen. 

  1. Als eerste bespreken we kort wat emoties zijn en de communicatieve functie van emoties: wat vertel je met je emoties? En waarom is het belangrijk dat je je eigen en andermans emoties begrijpt?
  2. Vervolgens beschrijven we de verschillende stappen van hoe je een emotie krijgt en hier op reageert. Deze stappen komen overeen met het eerste deel van het overzicht van de psycho-educatie materialen
  3. Tot slot bespreken we de communicatieve redzaamheid van kinderen en de onderdelen die in psycho-educatie aan bod kunnen komen. Dit komt overeen met deel 2 van het overzicht.

De onderdelen zijn in het schema opgenomen met een vraag. Met een cijfer verwijzen we naar de vraag en de betreffende regel in het schema. Het overzicht kan hier gedownload worden.

 

1. Emoties en de communicatieve functie

Emoties zijn functioneel

Emoties ontstaan altijd in een context. Er is iets in een situatie wat een emotie activeert. De emotie vertelt je dat er iets belangrijks gebeurt. Elke emotie heeft een eigen doel: boosheid geeft aan dat je iets wilt veranderen aan een situatie. Anderen kunnen zien dat jouw grens bereikt is. Word je juist verdrietig, dan probeer je om te gaan met iets waar je zelf weinig aan kunt veranderen. Het verdriet roept wel troostgedrag op bij anderen, waardoor zij je kunnen helpen om met de situatie om te gaan. Blijdschap geeft aan dat je iets leuk vindt en dat je dus graag wil dat de situatie hetzelfde blijft. Emoties zijn dus een vorm van communicatie.

Emoties zijn communicatie

Emoties geven aan dat er iets is wat jij belangrijk vindt en ze geven aan wat je doel in een situatie is (veranderen, verwerken of niet veranderen). Emoties zijn ook communicatie naar andere mensen (ophouden, troosten, of doorgaan). Je laat met je emoties zien dat er iets aan de hand is en je geeft anderen de kans hierop te reageren. Hierdoor ontstaat weer een nieuwe situatie die een emotie op kan roepen. Daarom noemen we dit een cyclisch emotieproces.

Emoties moet je leren

Kinderen leren emoties te herkennen en te begrijpen in sociale interactie. Door middel van taal wordt veel van een situatie uitgelegd. Ouders leggen al vroeg uit wie wat doet en waarom. ‘Jij pakt dit, maar hij had hem net al, daarom wordt hij boos op jou, maar jij wist niet dat…’ Hierdoor leren kinderen hun emotie aan een situatie te koppelen en het effect ervan op andere mensen te zien. Ook helpt taal om te begrijpen wat er in andere mensen omgaat en waarom mensen op een bepaalde manier reageren.

Emoties bij kinderen met TOS

Bij kinderen met TOS gaat de sociaal-emotionele ontwikkeling minder vanzelfsprekend. Door hun taalproblemen snappen zij vaak minder van de uitleg die wordt gegeven bij het gedrag van henzelf en van andere mensen. Hierdoor kan het moeilijker zijn voor kinderen met TOS om sociale interacties te begrijpen.

Ook als kinderen vooral moeite hebben met het uiten van taal kan dit problemen geven. Als kinderen moeilijk kunnen zeggen wat ze willen, kunnen zij gefrustreerd raken. Zij kunnen dan boos worden, hard gaan huilen of zich juist terug trekken. Zij kunnen hierdoor meer moeite hebben hun gevoelens en wensen op een gepaste manier te verwoorden en te onderhandelen.

Als kinderen een taalachterstand hebben, kunnen zij meer moeite hebben met het herkennen van en omgaan met eigen en andermans emoties. Deze vroege problemen kunnen een negatief effect hebben op de verdere sociale en emotionele ontwikkeling, ook als kinderen de taalachterstand later inlopen. Als kinderen op jonge leeftijd minder oefening hebben gehad in het omgaan met emoties in sociale situaties, zijn zij hierin minder vaardig. Hierdoor is het voor hen moeilijker om vriendschappen te sluiten. Daardoor hebben deze kinderen ook minder mogelijkheden om hun vaardigheden te verbeteren. Het is daarom belangrijk kinderen te helpen bij het begrijpen van eigen en andermans emoties en het omgaan met deze emoties.

 

2. Emoties in Psycho-educatie

Hieronder wordt stapsgewijs besproken hoe je een emotie krijgt. Kinderen moeten emoties bij zichzelf én emoties bij anderen leren herkennen. Het schema is daarom opgesplitst in het emotieproces bij het kind zelf (‘emotie bij mij’) en bij een ander (‘emotie bij de ander’).

plaatje emotie proces 2

Gebeurtenis

Het ontstaan van een emotie begint bij een gebeurtenis in een situatie. Dit kan een werkelijke gebeurtenis zijn (je struikelt en andere mensen kijken), maar ook een gedachte (je herinnert je dat je iets belangrijks bent vergeten) (regel 1 van het schema). Als de gebeurtenis belangrijk voor je is, kan het een emotie veroorzaken. Stap 1 is dus dat je je realiseert wat je emotie activeert (2).

Lichamelijke reacties

Als er iets gebeurt wat belangrijk voor je is, reageert je lichaam daarop. Deze lichamelijke reactie zorgt ervoor dat je lichaam klaar is om in actie te komen. In eerste instantie is dat reflexmatig. Als iemand bijvoorbeeld struikelt, volgt een schrikreactie: Armen en benen spannen zich aan om jezelf op te vangen en de kartslag stijgt. Deze lichamelijke reacties zorgen ervoor dat mensen zichzelf kunnen beschermen (vluchten of vechten). Deze lichamelijke reacties kun je voelen, maar hoeven niet zichtbaar te zijn (3). 

Je hebt daarnaast ook reacties die je wel duidelijk aan de buitenkant kunt zien (4). Zo kan je houding veranderen; je duikt ineen of houdt je armen voor je lichaam. Je ogen kunnen groter worden of je mimiek kan veranderen. Deze lichamelijke reacties kunnen in gradatie verschillen (5). Als iemand een beetje bang is, kan hij een versnelde hartslag krijgen en zijn er kleine veranderingen in mimiek. Als iemand erg bang is, gaat een persoon bijvoorbeeld ook zweten, wordt onrustig en laat een bange mimiek zien.

Gedachten/Interpretatie

De gebeurtenis geeft ook gedachten. In eerste instantie krijgt een persoon reflex gedachten. Je voelt meteen of je de situatie fijn of niet fijn vindt (6). Vervolgens ga je de gebeurtenis interpreteren. Stel je bent op straat van je fiets gevallen maar je hebt je geen pijn gedaan. Je bedenkt of het aan jezelf lag of dat je er niets aan kon doen. Ook bedenk je of andere mensen je gezien hebben en wat ze zullen denken. Of je bedenkt dat je geluk hebt gehad en het er waarschijnlijk grappig uitzag. De gedachten die een persoon krijgt en de interpretatie van de gebeurtenis zorgen dat een bepaald gevoel ontstaat: schaamte, of juist opluchting (7).

Deze gedachten worden beïnvloed door wat een persoon eerder heeft meegemaakt. Als iemand vaak is uitgelachen zal hij zich eerder schamen als dit opnieuw gebeurt. Dus eerdere gebeurtenissen kleuren de interpretatie van een nieuwe gebeurtenis (8).

Gevoelens

De combinatie van lichamelijke reacties en de gedachten over de gebeurtenis creëren een bepaalde emotie. Dat is per persoon verschillend. Afhankelijk van wat iemand belangrijk vindt, ontstaat een bepaalde emotie. Kinderen leren in eerste instantie onderscheid te maken tussen een positief en een negatief gevoel. Daarna leren ze de basisemoties boos, bang, blij en verdrietig te herkennen bij zichzelf en bij een ander (9).

Wanneer kinderen wat ouder worden, leren ze ook complexe emoties zoals schaamte en trots te herkennen. Voor het leren van deze complexere emoties moet je je in kunnen leven in een ander. Bij schaamte en trots kijk je door de ogen van andere mensen naar jezelf. Als je denkt dat zij het goed vinden wat jij hebt gedaan, zul je je trots voelen. Als je echter denkt dat anderen het slecht vinden wat jij hebt gedaan, kun je je daardoor schamen. Als een kind bijvoorbeeld in de klas hoort dat hij als enige een onvoldoende heeft gehaald en alle klasgenoten horen dat, dan zal het kind zich schamen omdat hij denkt dat de anderen dat stom zullen vinden van hem. Iemand kijkt dan naar zichzelf door de ogen van andere mensen (10).

Ook kun je meerdere emoties tegelijkertijd voelen (11). In de meeste situaties voel je verschillende emoties tegelijkertijd en ze hebben allemaal zo hun eigen functie. Als een kind in de klas hoort dat hij een onvoldoende heeft gehaald, kun hij zich schamen en tegelijkertijd jaloers zijn op anderen, maar ook blij zijn voor een vriend die het goed heeft gedaan.

Emotiebegrip

Een emotie vertelt dat er iets belangrijks is in een situatie. Er is iets dat je wil bereiken of veranderen (12). Als je bijvoorbeeld struikelt en denkt dat iemand jou expres liet vallen, dan zul je boos worden. Je wordt boos omdat je niet wil dat iemand dat nog eens doet. Als je echter ziet dat iemand je per ongeluk aanstootte, hoef je niet echt boos te worden. Als je sneller herkent wat er aan de hand is, kun je beter reageren op een situatie.

Ook is het heel belangrijk dat de emoties van andere mensen begrepen worden. Als je vriend boos is, is het heel belangrijk te weten waarom hij boos is. Heb jij iets gedaan, of komt het door een slecht cijfer waar hij van baalt? Als je begrijpt waar iemands gevoel vandaan komt kun je daar beter op reageren.

Soms hebben mensen meerdere doelen die ze willen bereiken (13). Je kunt bijvoorbeeld boos zijn op je vriend omdat hij iets onaardigs zei, maar tegelijk wil je je vriend wel houden. Je moet dan in je reactie rekening houden met beide doelen.

Emotieregulatie

Als je iets wilt veranderen in een situatie, moet je zowel je eigen doel als de sociale omgangsvormen met anderen in de gaten houden. Hoe je je emoties laat zien, is van invloed op de reactie van anderen. Je mag wel een emotie uiten, maar je moet dit doen binnen sociale regels om je doel te kunnen halen. Hiervoor is emotieregulatie nodig. Emotieregulatie is het onder controle houden van je emoties. Er zijn 2 niveaus waarop emoties worden gereguleerd: op cognitief/perceptueel niveau, en op gedragsniveau.

Op cognitief/perceptueel niveau gaat het om hoe sterk de situatie wordt ervaren. Eerdere ervaringen zijn hier van invloed op. Als een kind bijvoorbeeld eerder gepest is, zal hij sneller tekenen van nieuwe pesterijen zien en hier sterker op reageren. Daarom moet je vervolgens ook meer je best doen om die emotie weer te reguleren. Dit kun je bijvoorbeeld doen door de gedachten en de interpretatie van een gebeurtenis aan te passen (14). Je kunt bijvoorbeeld besluiten om geen aandacht te schenken aan de emotie, of om de situatie

anders te interpreteren. Als je je bedenkt dat iets niet gemeen bedoeld was, dan zal je boosheid minder intens worden dan als je blijft denken dat iets wel expres was.

Op het gedragsniveau van emotieregulatie gaat het om de uiting van je emotie. In dit stadium kun je kiezen hoe sterk je de emotie die je voelt ook laat zien en hoe je zult reageren (15). Als je heel teleurgesteld bent met een cadeau van een vriend kun je bijvoorbeeld proberen dit niet te laten zien omdat je je vriend niet wilt kwetsen. Je houdt dan de uiting van je emoties in bedwang.

Coping strategieën

Er kan op verschillende manieren met emotionele situaties om worden gegaan. Het omgaan met emoties om stress te verminderen noemen we coping strategieën. Er zijn verschillende soorten strategieën:

Er zijn strategieën om iets te veranderen aan een situatie. Dit kan zowel gedragsmatig als in hoe jij naar de situatie kijkt. Je kunt bijvoorbeeld hulp vragen aan een docent om een probleem op te lossen, of je kunt proberen de situatie anders te gaan  ervaren zonder dat je de situatie ook echt verandert. Zo kun je je bedenken dat iets helemaal niet zo erg is en dat je je niet verdrietig hoeft te voelen.

Daarnaast heb je strategieën die niet de situatie veranderen, maar jou uit een situatie halen. Je kunt bijvoorbeeld weglopen van een ruzie op het schoolplein. Of je kunt jezelf afleiden als het je te veel wordt.

Tot slot zijn er ook strategieën die niet helpen maar juist een negatieve invloed hebben op het kind. Voorbeelden hiervan zijn slaan en schoppen, zeer verdrietig worden en je heel veel en vaak zorgen maken. Dit lost niet de stress op die het kind ervaart, maar maakt het vaak juist erger (16).

Het is mooi als een kind verschillende strategieën kan gebruiken en weet op welke momenten die strategieën ingezet kunnen worden. Niet alle strategieën zijn op elk moment even effectief in een situatie. Als je bijvoorbeeld heel boos bent is het misschien beter eerst even afstand te nemen en pas later te proberen iets aan de situatie te veranderen (17,18). En soms is het goed op tijd iets te zeggen, bijvoorbeeld als je een beetje geïrriteerd raakt. Als je te lang wacht word je misschien te boos om er nog rustig iets van te zeggen. Het is dus goed om je te realiseren wanneer in een situatie je het beste kunt reageren (19).

Tot slot zijn er situaties waar een kind iets kan veranderen en situaties waar een kind geen invloed op heeft. Als een kind bij machte is iets te veranderen is een proactieve strategie misschien beter. Maar er zijn ook situaties dat kinderen geen macht hebben om iets te veranderen. Dan is het beter een strategie te gebruiken waardoor je uit de situatie bent door weg te lopen of door iets te negeren (20).

Reactie ander

Voor het sociaal functioneren is het belangrijk dat je weet welke emoties je naar een ander communiceert en in welke mate, maar ook dat je de emoties van de ander goed kunt interpreteren.

Je kunt aan de mimiek of de lichaamshouding van de ander zien of hij jou begrepen heeft (21). Vervolgens kan de ander ook op jou reageren, dit kan zowel verbaal of non-verbaal (22). Als je een emotie uit, dan wil je daarmee iets bereiken. De vraag is of dit ook gelukt is. Misschien heeft de strategie niet geholpen of wilde je ook iets anders bereiken (23, 24). Je zult dan een andere strategie moeten gebruiken.

Emotiecommunicatie

Emoties laat je zien in je houding, je mimiek en gedrag (25), maar ook door middel van wat je zegt (woord of gebaar). Aan de ene kant moet je je beseffen wat je voelt en aan de andere kant moet je de middelen beschikbaar hebben om die gevoelens duidelijk te maken naar anderen.

Hier heb je woorden voor basis emoties (26) en woorden voor complexere emoties voor nodig, maar ook manieren om nuances aan te geven. Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat je het vervelend vindt dat iemand iets deed en dat je daar een beetje boos van werd maar ook wel van baalde. Dat is een hele andere boodschap dan ‘ik ben boos.’ (27). Ook moet je duidelijk kunnen maken aan anderen waarom je je zo voelt (28).

 

 3. Communicatieve redzaamheid in psycho-educatie

Naast de sociaal-emotionele ontwikkeling bevordert psycho-educatie ook de kennis van een kind over zijn eigen vermogens, kenmerken en communicatieve redzaamheid.

Karaktereigenschappen

Jonge kinderen zien zichzelf vrij zwart-wit. Ze vinden zichzelf óf leuk, óf niet leuk. Ze maken nog weinig nuances in hoe zij zichzelf zien. Hoe ouder kinderen worden, hoe meer zij gaan nuanceren. Kinderen van rond de 8 jaar oud kunnen bijvoorbeeld steeds meer onderscheid maken tussen hoe goed ze zichzelf vinden op school, hoe leuk andere kinderen hen vinden, hoe goed ze zijn in sport, hoe leuk ze eruit zien en hoe ze in het algemeen over zichzelf denken. Dit is belangrijk, want kinderen gaan dan inzien dat ze op het ene gebied goed kunnen zijn, terwijl ze een ander gebied heel moeilijk vinden. Dat betekent dat het zelfvertrouwen op die twee gebieden heel verschillend kan zijn.

Het is belangrijk dat kinderen met TOS ook die verschillen zien. Want als je taalniveau heel beperkt is, wil dat niet zeggen dat je per definitie ook heel dom bent. Als je echter het idee hebt dat omdat je taal moeilijk vindt, je ook slecht zal zijn in allerlei andere dingen, dan denk je al snel dat je er toch niets aan kunt veranderen. Kinderen met weinig zelfvertrouwen gaan minder hun best doen om zich te ontwikkelen. Daarom is het van belang dat kinderen hun zwakke en sterke kanten begrijpen (29, 30, 31).

Ook is het belangrijk dat kinderen zien dat ze zich ontwikkelen: Ook al hebben zij moeite ergens mee, ze leren nog steeds. De TOS zal niet weggaan, maar je kunt er wel beter mee leren omgaan (32). 

Wat is TOS?  Wat is mijn TOS? en hoe communiceer ik? 

Als kinderen weten waar zij last van hebben, kunnen ze beter voor zichzelf opkomen. Zo blijkt bijvoorbeeld dat kinderen die weten wat voor taalproblemen zij hebben en dat anderen vertellen, makkelijker vrienden maken. Als kinderen niets zeggen, zullen andere mensen invullen wat er met een kind aan de hand is. Kinderen worden dan bijvoorbeeld snel als dom gezien. Daarbij, als anderen weten wat fijn is in de communicatie voor een kind met TOS, kunnen zij hier rekening mee houden, waardoor de interactie beter kan verlopen.

Hiervoor moeten kinderen met TOS op de hoogte zijn van wat TOS en taalproblemen in het algemeen zijn (33 - 40). Ze moeten kennis hebben van hun eigen TOS (41 - 46). En tot slot moeten zij zich bewust zijn van hoe ze communiceren, wat anderen kunnen doen om te helpen en hoe zij dit aan kunnen geven (47 - 52).